Om de elf kernelementen beter te kunnen duiden en toepasbaar te maken voor de praktijk, is gekeken naar onderlinge samenhang en focus. Bij deze inhoudelijke analyse van de elf kernelementen blijkt dat vijf elementen betrekking hebben op de student en zes op de begeleiding.

Wanneer we de kernelementen, die betrekking hebben op de student nader bekijken, kunnen we ze indelen in drie categorieën: elementen die de vaardigheden van de student versterken, elementen die te maken hebben met de motivatie van de student, en elementen die de mogelijkheden van de student vergroten. Deze categorieën sluiten aan bij het AMO-model van Appelbaum et al. (2000), dat beschrijft hoe het Kunnen, Willen en de Mogelijkheden van een individu diens prestaties voorspellen. In een interventiecontext kan worden gesteld dat een interventie één of meerdere van deze aspecten aanspreekt om de prestatie van degene die de interventie ondergaat te verhogen.

Bij de inhoudelijke analyse van de elf kernelementen valt op dat vijf elementen betrekking hebben op de student (Handelingsrepertoire, Zelfvertrouwen, Zelfinzicht, Netwerken en Verbinding school en praktijk) en zes op de begeleiding door de begeleider (Maatwerk, Laagdrempelig, Positieve benadering, Vertrouwde relatie, Oog voor welbevinden en Professionalisering van de begeleider).

Wanneer we de kernelementen die betrekking hebben op de student nader bekijken, kunnen we ze indelen in drie categorieën: elementen die de vaardigheden van de student versterken, elementen die te maken hebben met de motivatie van de student, en elementen die de mogelijkheden van de student vergroten. Deze categorieën sluiten aan bij het AMO-model van Appelbaum et al. (2000), dat beschrijft hoe het Kunnen, Willen en de Mogelijkheden van een individu diens prestaties voorspellen. In een interventiecontext kan worden gesteld dat een interventie één of meerdere van deze aspecten aanspreekt om de prestatie van degene die de interventie ondergaat te verhogen.

Het AMO-model:

  • Kunnen (Ability): Dit aspect gaat over interventies die ervoor zorgen dat iemand bepaalde kennis, vaardigheden of ervaringen opdoet die hem/haar in staat stellen om een prestatie te leveren. Voor de interventie beschikt de persoon niet over deze vaardigheden, wat hem/haar belemmert de gewenste prestatie te leveren.

  • Willen (Motivation): Dit aspect richt zich op het motiveren van iemand om zich in te zetten voor het leveren van een prestatie. Voor de interventie is er onvoldoende motivatie om de prestatie te leveren.

  • Mogelijkheden (Opportunities): Dit aspect draait om het creëren van mogelijkheden voor iemand om een prestatie te leveren. Voorafgaand aan de interventie ontbreken deze mogelijkheden, waardoor iemand niet in staat is om de prestatie te leveren.

Elementen studentniveau

In de figuur wordt het AMO-model toegepast op de vijf kernelementen die betrekking hebben op de student.

Handelingsrepertoire – Kunnen
Het handelingsrepertoire valt onder Kunnen. Een toename van kennis, vaardigheden en ervaring stelt de student in staat om stage en/of opleiding succesvol af te ronden.

Zelfinzicht – Willen
Zelfinzicht valt onder Willen. Wanneer studenten inzicht krijgen in hun wensen, interesses en behoeften, worden zij gemotiveerd om de opleiding te voltooien en passend werk te vinden.

Netwerken – Mogelijkheden
Netwerken valt onder Mogelijkheden. Het helpt studenten een soepele overgang naar het werkveld te realiseren en biedt kansen om relaties en contacten op te bouwen die van waarde zijn voor hun loopbaan.

Verbinding school-praktijk – Willen & Mogelijkheden
De verbinding tussen school en praktijk beïnvloedt zowel Willen als Mogelijkheden. Door praktijkervaring in de opleiding te integreren, wordt de student gemotiveerd om door te leren. Tegelijkertijd kan de student veilig oefenen in een realistische context, waardoor de overgang naar de eerste baan minder groot is.

Zelfvertrouwen – centraal in Kunnen, Willen en Mogelijkheden
Zelfvertrouwen staat centraal in het AMO-model en beïnvloedt alle drie de dimensies. Het helpt de student de opleiding gemakkelijker te doorlopen, motiveert tot actief leren en vergroot het vermogen om leermogelijkheden te benutten, bijvoorbeeld door vragen te stellen of uitdagende taken aan te nemen.

Elementen vorm en inhoud van de begeleiding

Om het kunnen, willen en de mogelijkheden van de student te versterken, is goede begeleiding essentieel. Vijf kernelementen geven richting aan de vorm en inhoud van deze begeleiding.

1. Maatwerk
De begeleiding is afgestemd op de behoeften, doelen en situatie van de student.

2. Positieve benadering
Er wordt gewerkt vanuit wat goed gaat. De nadruk ligt op talenten, ontwikkelkansen en succeservaringen.

3. Laagdrempeligheid
De begeleiding is gemakkelijk toegankelijk. Studenten kunnen eenvoudig contact opnemen om vragen of problemen te bespreken. Daarnaast kan begeleiding een vast en geïntegreerd onderdeel van de opleiding zijn.

4. Vertrouwde relatie
De begeleiding kenmerkt zich door een veilige en gelijkwaardige relatie tussen student en begeleider. Hierdoor voelt de student zich vrij om ervaringen, twijfels en zorgen te bespreken.

5. Oog voor welbevinden
Begeleiders hebben aandacht voor het mentale en emotionele welzijn van studenten. Zij signaleren mogelijke knelpunten en bespreken het welbevinden regelmatig tijdens de begeleiding.

Het kernelement Professionalisering van begeleiders is een voorwaarde voor goede begeleiding. Het valt buiten de begeleiding zelf, omdat het zich richt op de professionals en niet direct op de student. Het is echter essentieel om studenten adequaat te kunnen begeleiden. Dit komt vooral naar voren bij begeleiders voor wie het begeleiden van studenten nieuw is of niet hun primaire taak is, zoals werkbegeleiders (Co-creatie) of coaches uit het werkveld (Carrièrecoach).

Theoretische achtergrond
Theoretische achtergrond

Bij de inhoudelijke analyse van de elf kernelementen valt op dat vijf elementen betrekking hebben op de student (Handelingsrepertoire, Zelfvertrouwen, Zelfinzicht, Netwerken en Verbinding school en praktijk) en zes op de begeleiding door de begeleider (Maatwerk, Laagdrempelig, Positieve benadering, Vertrouwde relatie, Oog voor welbevinden en Professionalisering van de begeleider).

Wanneer we de kernelementen die betrekking hebben op de student nader bekijken, kunnen we ze indelen in drie categorieën: elementen die de vaardigheden van de student versterken, elementen die te maken hebben met de motivatie van de student, en elementen die de mogelijkheden van de student vergroten. Deze categorieën sluiten aan bij het AMO-model van Appelbaum et al. (2000), dat beschrijft hoe het Kunnen, Willen en de Mogelijkheden van een individu diens prestaties voorspellen. In een interventiecontext kan worden gesteld dat een interventie één of meerdere van deze aspecten aanspreekt om de prestatie van degene die de interventie ondergaat te verhogen.

Het AMO-model:

  • Kunnen (Ability): Dit aspect gaat over interventies die ervoor zorgen dat iemand bepaalde kennis, vaardigheden of ervaringen opdoet die hem/haar in staat stellen om een prestatie te leveren. Voor de interventie beschikt de persoon niet over deze vaardigheden, wat hem/haar belemmert de gewenste prestatie te leveren.

  • Willen (Motivation): Dit aspect richt zich op het motiveren van iemand om zich in te zetten voor het leveren van een prestatie. Voor de interventie is er onvoldoende motivatie om de prestatie te leveren.

  • Mogelijkheden (Opportunities): Dit aspect draait om het creëren van mogelijkheden voor iemand om een prestatie te leveren. Voorafgaand aan de interventie ontbreken deze mogelijkheden, waardoor iemand niet in staat is om de prestatie te leveren.

Elementen studentniveau

In de figuur wordt het AMO-model toegepast op de vijf kernelementen die betrekking hebben op de student.

Handelingsrepertoire – Kunnen
Het handelingsrepertoire valt onder Kunnen. Een toename van kennis, vaardigheden en ervaring stelt de student in staat om stage en/of opleiding succesvol af te ronden.

Zelfinzicht – Willen
Zelfinzicht valt onder Willen. Wanneer studenten inzicht krijgen in hun wensen, interesses en behoeften, worden zij gemotiveerd om de opleiding te voltooien en passend werk te vinden.

Netwerken – Mogelijkheden
Netwerken valt onder Mogelijkheden. Het helpt studenten een soepele overgang naar het werkveld te realiseren en biedt kansen om relaties en contacten op te bouwen die van waarde zijn voor hun loopbaan.

Verbinding school-praktijk – Willen & Mogelijkheden
De verbinding tussen school en praktijk beïnvloedt zowel Willen als Mogelijkheden. Door praktijkervaring in de opleiding te integreren, wordt de student gemotiveerd om door te leren. Tegelijkertijd kan de student veilig oefenen in een realistische context, waardoor de overgang naar de eerste baan minder groot is.

Zelfvertrouwen – centraal in Kunnen, Willen en Mogelijkheden
Zelfvertrouwen staat centraal in het AMO-model en beïnvloedt alle drie de dimensies. Het helpt de student de opleiding gemakkelijker te doorlopen, motiveert tot actief leren en vergroot het vermogen om leermogelijkheden te benutten, bijvoorbeeld door vragen te stellen of uitdagende taken aan te nemen.

Elementen vorm en inhoud van de begeleiding

Om het kunnen, willen en de mogelijkheden van de student te versterken, is goede begeleiding essentieel. Vijf kernelementen geven richting aan de vorm en inhoud van deze begeleiding.

1. Maatwerk
De begeleiding is afgestemd op de behoeften, doelen en situatie van de student.

2. Positieve benadering
Er wordt gewerkt vanuit wat goed gaat. De nadruk ligt op talenten, ontwikkelkansen en succeservaringen.

3. Laagdrempeligheid
De begeleiding is gemakkelijk toegankelijk. Studenten kunnen eenvoudig contact opnemen om vragen of problemen te bespreken. Daarnaast kan begeleiding een vast en geïntegreerd onderdeel van de opleiding zijn.

4. Vertrouwde relatie
De begeleiding kenmerkt zich door een veilige en gelijkwaardige relatie tussen student en begeleider. Hierdoor voelt de student zich vrij om ervaringen, twijfels en zorgen te bespreken.

5. Oog voor welbevinden
Begeleiders hebben aandacht voor het mentale en emotionele welzijn van studenten. Zij signaleren mogelijke knelpunten en bespreken het welbevinden regelmatig tijdens de begeleiding.

Het kernelement Professionalisering van begeleiders is een voorwaarde voor goede begeleiding. Het valt buiten de begeleiding zelf, omdat het zich richt op de professionals en niet direct op de student. Het is echter essentieel om studenten adequaat te kunnen begeleiden. Dit komt vooral naar voren bij begeleiders voor wie het begeleiden van studenten nieuw is of niet hun primaire taak is, zoals werkbegeleiders (Co-creatie) of coaches uit het werkveld (Carrièrecoach).

Om de elf kernelementen beter te kunnen duiden en toepasbaar te maken voor de praktijk, is gekeken naar onderlinge samenhang en focus. Bij deze inhoudelijke analyse van de elf kernelementen blijkt dat vijf elementen betrekking hebben op de student en zes op de begeleiding.

Wanneer we de kernelementen, die betrekking hebben op de student nader bekijken, kunnen we ze indelen in drie categorieën: elementen die de vaardigheden van de student versterken, elementen die te maken hebben met de motivatie van de student, en elementen die de mogelijkheden van de student vergroten. Deze categorieën sluiten aan bij het AMO-model van Appelbaum et al. (2000), dat beschrijft hoe het Kunnen, Willen en de Mogelijkheden van een individu diens prestaties voorspellen. In een interventiecontext kan worden gesteld dat een interventie één of meerdere van deze aspecten aanspreekt om de prestatie van degene die de interventie ondergaat te verhogen.